Ik vond mezelf, onbezonnen en gelogen,
In dwalende reizen en duistere rituelen.
Mijn lippen kusten suikerzoete dromen,
Ze spraken niet over onwetendheid,
Gevangen in een net van gesponnen verlangens.
In een gouden nacht cirkelden gevoelens,
Traag, tot twijfel ons, geliefden, streelde
En fluisterde dat het goed was, terwijl
Paden van grillige grootmoedigheid
Kronkelden om de lach van een waanzinnige.
Kille verbijstering verzon tijdloze maneschijn,
Die leed aan het draaien van de wereld.
En alles duurde tot het voorbij was.
maandag 28 februari 2011
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten