ze riep zonder stem
in de zwarte zomerdag
dat ze heus wel wist
dat ze leefde
niets zo pijnlijk als besef
maandag 28 februari 2011
44
Gejaagd kleurt de hemel eindeloos roze
tot hij de rust vindt in het diepblauwe van
de alles omvattende, alles omarmende nacht.
Alleen daar staat het verwoede kleuren stil
en durft het te genieten van de dichtheid
tussen de dagen, toont het zichzelf, totaal.
Zodra het oranje penseel ‘t baldakijn kietelt,
kruipt hij in zijn eigen kleurenpalet,
wat wij zien als licht- of grijsblauw,
met af en toe een blootgegeven wit accent.
Maar eigenlijk, diep van binnen, is alles
om de aarde een paradijs van kleuren,
die je alleen kan zien, als je ’s nachts
een oogje dicht knijpt op een kier.
tot hij de rust vindt in het diepblauwe van
de alles omvattende, alles omarmende nacht.
Alleen daar staat het verwoede kleuren stil
en durft het te genieten van de dichtheid
tussen de dagen, toont het zichzelf, totaal.
Zodra het oranje penseel ‘t baldakijn kietelt,
kruipt hij in zijn eigen kleurenpalet,
wat wij zien als licht- of grijsblauw,
met af en toe een blootgegeven wit accent.
Maar eigenlijk, diep van binnen, is alles
om de aarde een paradijs van kleuren,
die je alleen kan zien, als je ’s nachts
een oogje dicht knijpt op een kier.
41
als een danser
door menselijkheid bewogen
lust leven ledematen
geleidelijk sappig verlangen
zachtjes tippelend op tenen
luchtige leegten
door haren golvend in
zijden wind
vloeiend briesende storm
razend
alles verward, alles chaos,
maar toch
één
door menselijkheid bewogen
lust leven ledematen
geleidelijk sappig verlangen
zachtjes tippelend op tenen
luchtige leegten
door haren golvend in
zijden wind
vloeiend briesende storm
razend
alles verward, alles chaos,
maar toch
één
38
Ik vond mezelf, onbezonnen en gelogen,
In dwalende reizen en duistere rituelen.
Mijn lippen kusten suikerzoete dromen,
Ze spraken niet over onwetendheid,
Gevangen in een net van gesponnen verlangens.
In een gouden nacht cirkelden gevoelens,
Traag, tot twijfel ons, geliefden, streelde
En fluisterde dat het goed was, terwijl
Paden van grillige grootmoedigheid
Kronkelden om de lach van een waanzinnige.
Kille verbijstering verzon tijdloze maneschijn,
Die leed aan het draaien van de wereld.
En alles duurde tot het voorbij was.
In dwalende reizen en duistere rituelen.
Mijn lippen kusten suikerzoete dromen,
Ze spraken niet over onwetendheid,
Gevangen in een net van gesponnen verlangens.
In een gouden nacht cirkelden gevoelens,
Traag, tot twijfel ons, geliefden, streelde
En fluisterde dat het goed was, terwijl
Paden van grillige grootmoedigheid
Kronkelden om de lach van een waanzinnige.
Kille verbijstering verzon tijdloze maneschijn,
Die leed aan het draaien van de wereld.
En alles duurde tot het voorbij was.
35
Gescheiden van een licht gevoel, en van het leven,
In een kamer vol tederheid en donkerste daden,
Herhaalde ik de zoete woordjes van jouw liefde,
Waarvan ik vervreemd was terwijl ik het niet wist.
Misschien was de waarheid een kraakhelder laken
Besmeurd met leugenachtige stiltes die geloofden
Wat liefkozend laf geworden reizen streelde, dwaas,
Onbezonnen kinderdroom gevangen in vergetelheid.
Mijn lichaam vervuld met warme rivieren
En liefkozingen geproefd op mijn lippen,
Met een schaduw die de woorden steelde.
Ik fluisterde verzonnen liefde de nacht in,
Sloot mijn ogen in de diepste donkerte
En wachtte. Ik wachtte op jou, mijn liefste.
In een kamer vol tederheid en donkerste daden,
Herhaalde ik de zoete woordjes van jouw liefde,
Waarvan ik vervreemd was terwijl ik het niet wist.
Misschien was de waarheid een kraakhelder laken
Besmeurd met leugenachtige stiltes die geloofden
Wat liefkozend laf geworden reizen streelde, dwaas,
Onbezonnen kinderdroom gevangen in vergetelheid.
Mijn lichaam vervuld met warme rivieren
En liefkozingen geproefd op mijn lippen,
Met een schaduw die de woorden steelde.
Ik fluisterde verzonnen liefde de nacht in,
Sloot mijn ogen in de diepste donkerte
En wachtte. Ik wachtte op jou, mijn liefste.
32
balancerend op het randje
stond een rots in de branding
hallucinerend in de wind
vroeg of laat tegen een blinde muur
vol eenzame woede in steen
geleunde bladeren van hoop
verstrikt in honger naar anders
nooit vervuld door hoeden
over donkere ogen getrokken
onzichtbaar blikkende mist
vlekte omgekeerde verandering
die nooit kwam
stond een rots in de branding
hallucinerend in de wind
vroeg of laat tegen een blinde muur
vol eenzame woede in steen
geleunde bladeren van hoop
verstrikt in honger naar anders
nooit vervuld door hoeden
over donkere ogen getrokken
onzichtbaar blikkende mist
vlekte omgekeerde verandering
die nooit kwam
31
oh, alles is zo zacht, zo rozig en zo licht
mijn hartje veert en wiegt alleen maar,
omdat jij voorzichtig lievig naar me lacht
alles is veel mooier wanneer jouw ogen
glinsteren als ze naar mij kijken in het
nachtige donker van een sombere dag
als jouw per ongelukke hand langs de mijne
strijkt, laat mijn buik een explosie kietelende
vlinders los, midden in de vriezende winter
ja, zelfs de hardste donkerte, de ijzigste
regen en de diepblauwste wind zonnen
in een bad goud licht zolang jij bij me bent
dus blijf maar altijd, want ik hou niet zo van slecht weer.
mijn hartje veert en wiegt alleen maar,
omdat jij voorzichtig lievig naar me lacht
alles is veel mooier wanneer jouw ogen
glinsteren als ze naar mij kijken in het
nachtige donker van een sombere dag
als jouw per ongelukke hand langs de mijne
strijkt, laat mijn buik een explosie kietelende
vlinders los, midden in de vriezende winter
ja, zelfs de hardste donkerte, de ijzigste
regen en de diepblauwste wind zonnen
in een bad goud licht zolang jij bij me bent
dus blijf maar altijd, want ik hou niet zo van slecht weer.
29
een cowboy slenterde
tussen stoffige huizen
met goud verlangen
groette de indiaan
met het houten been
verkregen in een storm
waar de ridder door
galoppeerde op zijn
blinde geit terwijl
de dwerg twijfelend
over zijn baard streek
omdat een oosterse prinses
op zijn elfenbankje sliep
schouderophalend voegde hij zich toen bij haar
en zo sliepen ze samen nog lang en gelukkig
tussen stoffige huizen
met goud verlangen
groette de indiaan
met het houten been
verkregen in een storm
waar de ridder door
galoppeerde op zijn
blinde geit terwijl
de dwerg twijfelend
over zijn baard streek
omdat een oosterse prinses
op zijn elfenbankje sliep
schouderophalend voegde hij zich toen bij haar
en zo sliepen ze samen nog lang en gelukkig
28
sinds gisteren weet ik niet meer
zoals zo vaak
of ik nou gelachen heb toen
de dove man een zoete baby
wiegde terwijl de vogel zingend
floot en de lucht bellen blies
toen de dag begon te leven en
het brood door de straat geurde
wat was het zacht
wat was het lief
maar of ik lachte weet ik niet
want soms
kijk ik onwetend versteend
naar een starend beeld
en is het moment al weg
voor het zich in mijn hoofd
genesteld heeft: het ene oog
in, het andere weer uit.
zoals zo vaak
of ik nou gelachen heb toen
de dove man een zoete baby
wiegde terwijl de vogel zingend
floot en de lucht bellen blies
toen de dag begon te leven en
het brood door de straat geurde
wat was het zacht
wat was het lief
maar of ik lachte weet ik niet
want soms
kijk ik onwetend versteend
naar een starend beeld
en is het moment al weg
voor het zich in mijn hoofd
genesteld heeft: het ene oog
in, het andere weer uit.
Nachtpalet
geluid van een rode kamer met
niemand maakt violette sterren
in een paarlen maan
omarmt de koperen schreeuw
van de zwarte zomerbloemen
fonkelend in gedachten
fluistert een magenta zin die
vaart op zes bronzen zeeën
in septemberdromen
en versmelt met het grijzige
hart van dat mauve silhouet
in de purperen zon
niemand maakt violette sterren
in een paarlen maan
omarmt de koperen schreeuw
van de zwarte zomerbloemen
fonkelend in gedachten
fluistert een magenta zin die
vaart op zes bronzen zeeën
in septemberdromen
en versmelt met het grijzige
hart van dat mauve silhouet
in de purperen zon
Carpe diem
ik staarde naar grijs vergeelde foto’s
en droomde me terug in de tijd
weken, dagen, maanden vervaagden
toen ik wakker werd had ik mooie tijden terug
gezien maar ineens was een leven verstreken
mijn enige dromen waren geel vergrijsd
- of was het nu grijs vergeeld? -
na jaren herinnerde ik slechts dichte mist
en ik verstrikte in een doolhof van verleden
en nu, terwijl de tijd tikte en mijn hoofd mistte
en droomde me terug in de tijd
weken, dagen, maanden vervaagden
toen ik wakker werd had ik mooie tijden terug
gezien maar ineens was een leven verstreken
mijn enige dromen waren geel vergrijsd
- of was het nu grijs vergeeld? -
na jaren herinnerde ik slechts dichte mist
en ik verstrikte in een doolhof van verleden
en nu, terwijl de tijd tikte en mijn hoofd mistte
dinsdag 22 februari 2011
Le città invisibili
"De stad ademt in wat wij uitademen. Laat het in hemelsnaam liefde zijn." - Italo Calvino
Abonneren op:
Posts (Atom)